2014 | Sporen

Er zijn ogenblikken in ons leven waarop wij een soort liefde en ontroerende respect voelen voor de natuur in planten, mineralen, dieren, landschappen, als ook de menselijke natuur in kinderen, in de zeden van plattelandsbewoners en de oerwereld. Niet omdat ze ons verstand of onze smaak bevredigt (want vaak kan het tegengestelde het geval zijn) maar louter en alleen omdat ze natuur is.

Friedrich Schiller, Over Naïeve en Sentimentele Poëzie, 1795

Persian, 2014, oil on MDF, 122 x 183 cm.

In zijn essay ‘Over Naïeve en Sentimentele Poëzie’ onderscheidde Friedrich Schiller twee manieren waarop dichters zich tot de wereld verhouden. Voor Schiller hadden de termen ‘naïef’ en ‘sentimenteel’ een andere betekenis dan wij er nu meestal aan geven. Met naïef bedoelde Schiller een spontane manier van waarnemen – één waarbij “de eenvoud de gekunsteldheid overwint”. De naïeve dichter wordt gekenmerkt door een gebrek aan zelfbewustzijn. Hij treedt de wereld onbevangen tegemoet, als een kind. Schiller zag zijn vriend Goethe als het ultieme voorbeeld van dit type in zijn eigen tijd. Maar volgens Schiller was de naïeve dichter ook een uitstervend ras. Volgens hem maakt het kunstmatige en complexe karakter van onze samenleving het ons vrijwel onmogelijk om de wereld onbevangen waar te nemen.

Schiller zag zichzelf als een voorbeeld van het tweede type: de ‘sentimentele’ dichter. De sentimentele mens leeft met het besef dat hij voorgoed van de natuur is gescheiden. Hij kan zich niet één voelen met de wereld om hem heen, omdat hij er voortdurend op reflecteert. Maar desondanks blijft hij naar deze eenheid verlangen, en in zijn poëzie verwijst hij voortdurend naar wat hij heeft verloren. De sentimentele waarneming richt zich op het gescheiden zijn; verlies; het onbehagen van het ongrijpbare.

Of de dichter is de natuur, of hij zoekt haar.

Waar zou je het werk van Jaring Lokhorst moeten plaatsen binnen deze twee uitersten? Op het eerste gezicht lijkt de kunstenaar duidelijk in het kamp van de ‘sentimentelen’ te passen. De meeste van zijn schilderijen gaan over de vergeten, wat smoezelig hoeken van onze leefomgeving. Braakliggende terreinen; hekwerken die langzaam lijken te worden omvergetrokken door woekerende klimop; aarde die is omgeploegd door een graafmachine. Sporen die zelf ook weer zullen verdwijnen. Thema’s als scheiding en ongrijpbaarheid komen regelmatig (en soms zelfs letterlijk) terug in Lokhorsts werk. Geschilderd in een stijl die, hoewel understated, in de loop der jaren ook steeds zelfbewuster virtuoos is geworden.

Maar wanneer je met Jaring zelf over zijn werk praat, komt hij veel eerder over als naïef – in de zin die Schiller eraan geeft. De onderwerpen in zijn schilderijen zijn momentopnames van een continu proces van transformatie en verval – ‘alles stroomt, niets blijft’ – maar Lokhorst is niet geïnteresseerd in de metafysische lading van dit gegeven. Het gaat hem om het gevoel van vrijheid en ruimte dat hij krijgt bij de veranderlijkheid der dingen. Jarings schilderijen zijn ruimtes waar je je in kunt verliezen – niet als een volwassene, maar als een struinend kind. Zonder vooropgezette ideeën, en verre van contemplatief. Gijsbert van der Wal ging al in op deze ‘kinderlijke’ blik in Lokhorsts schilderijen in een tekst uit 2012. Zoals Van der Wal treffend beschrijft:

Green, 2014, oil on aluminium, 43 x 32.5 cm.

Wat zíet dat kind nou in zo’n terrein? […]Nee, we hadden geloof ik nooit iets bij ons. Geen bal, geen gereedschap […] De braakliggende grond was een speelterreinen het spel zat in ons, bestond in onze hoofden.

Gijsbert van der Wal, Onderweg – Schrift 10, 2012

Als schilder is Jaring niet goed in te passen binnen Schillers twee uitersten. Zijn werken laten een sentimentele sensibiliteit zien, maar dan zonder de tragiek. Tegelijkertijd combineren zij een naïef gevoel van onbevangenheid met een gecontroleerde presentatie.

Misschien is Schillers tweedeling te absoluut, te Sturm und Drang, om goed toepasbaar te zijn op hedendaags werk. Maar ik denk zelf van niet: ik geloof dat in veel artistieke uitingen deze twee percepties nog altijd een sterke rol spelen. Het grote verschil met Schillers tijd is wellicht dat wij het niet als een paradox ervaren wanneer beide uitersten in één werk verenigd zijn. De spanning tussen zelfbewuste en spontane perceptie wordt zelfs als vanzelfsprekend gezien. En wanneer deze spanning zo ongrijpbaar wordt als in het werk van Jaring Lokhorst – dat ons zwijgend leidt naar de ‘verborgen hoeken van de dingen’ – kan dit een zeldzame en vluchtige ervaring van waarachtigheid opleveren.

De Japanners noemen het mono no aware. Een diepe, soms melancholieke gewaarwording van de schoonheid van het onbestendige – in je hoofd en je hart.

Willem Kramer, 2014

Work